Voorgeschiedenis

1. De aanzet

Het begon allemaal met de vereniging La Jeune Peinture Belge / De Jonge Belgische Schilderkunst. Een groep schilders en beeldhouwers trad tussen 1945 en 1948 samen naar buiten. Onder de leden treffen we onder anderen Gaston Bertrand, Anne Bonnet, Jan Cox, Marc Mendelson, Rik Slabbinck en Louis Van Lint aan. De ere-voorzitter was niemand minder dan James Ensor. De drijvende kracht van de groep heette Robert L. Delevoy, kunsthistoricus, galeriehouder van de toonaangevende galerie Apollo en later directeur van de Hogere School voor Architectuur en Beeldende Kunsten ‘Ter Kameren’. De advocaat René Lust nam het voorzitterschap waar. Hij koesterde de ambitie om een groep jonge Belgische kunstenaars te ondersteunen en tentoonstellingen in het buitenland op het getouw te zetten. Lust slaagde in het opzet. De Jeune Peinture Belge stelde tentoon in Parijs, Den Haag, Amsterdam, Zürich, Bordeaux, Brussel en Oxford.

2. De Stichting

Na de dood van René Lust, op 5 juni 1948, verbrokkelde de vereniging. Maar de wil om jonge kunst te promoten bleef overeind. In 1950 richtte een groep verzamelaars, kunstcritici en kunstliefhebbers ter nagedachtenis van René Lust de ‘Stichting René Lust voor de Jonge Belgische Schilderkunst’ op. Het hoofddoel van de stichting? Jaarlijks een prijs uitreiken aan een kunstenaar onder de veertig jaar.
Onder de stichters bevinden zich heel wat leden van de voormalige vereniging, onder wie de schilder Louis Van Lint. Robert L. Delevoy ontpopte zich ditmaal als secretaris. De eerste voorzitter was Raymond Delhaye (van 1950 tot 1961). Daarna volgden Pierre Crowet (van 1961 tot 1984), Roland Gillion-Crowet ( van 1984-2017) en Amaury de Merode, de huidige voorzitter.

Sinds 1996 staat de Stichting onder de hoge bescherming van Z.M. de Koning Albert II. Van 1994 tot 2001 verscheen tijdens het concours telkens een uitgave van het tijdschrift J-Echo.

3. De Prijs in vogelvlucht

Door de jaren heen veranderden de statuten en het reglement geregeld. Enkele opvallende wijzigingen:

  • de Prijs stelt zich open voor alle vormen van beeldende kunst
  • ‘schilder’ ruimt baan voor ‘kunstenaar, werkzaam op het gebied van de beeldende kunst’
  • Elke kandidaat presenteert 3 à 5 werken, niet ouder dan 3 jaar; onderwerp, techniek en afmetingen zijn vrij
  • De raad van beheer, aanvankelijk een mannenclub, vervrouwelijkt stukje bij beetje
  • In 1963 stelt de Prijs zich ook open voor buitenlandse kunstenaars die minimum een jaar in België wonen
  • Vanaf 1983 vindt de Prijs om de twee jaar plaats
  • In 1986 schroeft men de leeftijdsgrens van de kandidaten terug van 40 tot 35 jaar
  • In 2003 wordt beroep gedaan op een internationale jury bestaande uit directeurs en curators van belangrijke Europese kunstinstellingen
  • In 2021, wordt de jury niet meer gevraagd 4 finalisten aan te duiden, maar 1 winnaar.

4. Prijzen

In 1950 werd de ‘Prijs Jonge Belgische Schilderkunst’ voor het eerst uitgereikt. De winnaar kreeg toen 25.000 frank. De prijs ging jaarlijks naar een Belgische schilder, jonger dan 40 jaar. Vanaf 1954 kreeg de prijs er een poos een broertje bij: om de drie jaar reikte de stichting de ‘Prijs voor de Jonge Belgische Beeldhouwkunst’ uit.

Ter nagedachtenis van overleden leden, en dankzij de gulheid van hun erfgenamen, kan de stichting vanaf 1983 twee prijzen uitreiken: de Prijs Emile Langui én vanaf 1985 de Prijs Pierre Crowet. Na de dood van René Magritte riep zijn weduwe Georgette nog een onderscheiding in het leven, de Prijs René Magritte. De prijs werd enkel in 1986 toegekend. In 1998 kwam er de ‘Prijs Levis voor de kleur’ bij, een stimulans van het bedrijf Levis. Sinds 2005 is de prijs overgenomen door ING, die sindsdien de ING Prijs uitreikt.

Sinds 2013 rijkt de bank naast de ING Prijs ook een Publieksprijs uit. Een elektronisch stemsysteem wordt opgezet zodat de bezoekers via de website kunnen stemmen voor  hun favoriete kunstenaar. In 2017 werd de laatste ING publieksprijs uitgereikt en werd de financiële sponsoring door ING niet meer verlengd, zo kwam er na 15 jaar een einde aan de samenwerking met ING.

De laureaat van de BelgianArtPrize krijgt nog steeds de Crowet prijs, een geldsom van 20.000€. 

5. Jury

‘Ik? Ik vergis me nooit!’ riep ooit een jurylid met gespeelde verbazing uit. De soms gekke bokkensprongen van de jury – de vergissingen én ontdekkingen – maken deel uit van de charme van de Prijs. Enkele feiten op een rijtje.

  • Een lid mag niet 2 keer achter elkaar zetelen in de jury
  • Aanvankelijk bestond de jury uit leden van de raad van beheer, voornamelijk verzamelaars. Vanaf de jaren 70 doet men ook een beroep op ‘professionele’ leden
  • Het aantal juryleden was onderhevig aan gevoelige schommelingen. Aanvankelijk telde de jury 9 à 12 leden. In 1971 werd de jury teruggebracht tot 3 ‘wijzen’. Sinds de editie 2003 telt de jury 5 leden.
  • De kandidaat krijgt een prijs of een vermelding. Enkel bij unanimiteit kent de jury de prijs toe. Zo werd er in 1957 geen prijs toegekend, maar waren er wel 3 vermeldingen
  • De keuze van de werken vond tot 1992 plaats in de zalen van het Paleis voor Schone Kunsten. Vanaf 1994 gebeurt de selectie noodgedwongen op basis van een ingestuurd dossier
  • Vanaf 1997 doet de Jonge Belgische Schilderkunst ook een beroep op kunstkenners die geen lid zijn van de stichting.
  • Sinds 2003 is de samenstelling van de jury exclusief internationaal.
  • In 2007 kende de Jury de eerste Prijs Gillion Crowet niet toe.
  • In 2013 werd er een pre-jury opgesteld van Belgische experten uit de kunstwereld die een dertigtal dossiers selecteerden. Deze preselectie werd vervolgens voorgelegd aan de internationale jury.

6. J.P.1, J.P.2, J.P.3

Ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van de Jeune Peinture zet de stichting in 1975 in het Paleis voor Schone Kunsten een tentoonstelling op het getouw. Onder de noemer J.P.1 brengt de expo een overzicht van de eigentijdse schilderkunst in Europa. Tegelijk brengt de tentoonstelling hulde aan de kunstenaars die deel uitmaakten van de vereniging uit 1945-1948. Ieder lid is vertegenwoordigd met een werk uit die tijd. De vereniging krijgt het gezelschap van nieuwe stromingen: de conceptuele kunst, het hyperrealisme en de nieuwe figuratie. Onder de deelnemers bevinden zich onder anderen Gaston Bertrand, Jo Delahaut, Louis Van Lint, Panamarenko, Christian Dotremont, …

Bedoeling was om voortaan om de twee jaar een overzicht te brengen van de allernieuwste kunst in België, aangevuld met een buitenlandse delegatie. In 1979 viel de keus op Groot-Brittannië. Karel Geirlandt, directeur van de Vereniging voor Tentoonstellingen, was de commissaris van J.P.2. Het selectiecomité bestond uit Flor Bex, Jean Dypreau, Jean-Pierre Van Tieghem en Karel Geirlandt en genoot de medewerking van het British Council. Van de partij waren onder anderen Jacques Charlier, Luc Deleu, Denmark, Filip Francis, Barry Flanagan, David Tremblett, …

In 1981 paste men de formule aan. Het selectiecomité van J.P.3 koos 7 Europese kunstenaars, jonger dan 40. Ze genoten nog geen internationale faam en behoorden evenmin tot één bepaalde stroming. De werken waren voor het eerst in België te zien. Eregast was Laurie Anderson, die voor de gelegenheid de performance US I-IV hield.

De drie tentoonstellingen vonden plaats in het Paleis voor Schone Kunsten. Telkens verscheen er een catalogus.

Voor haar 40ste verjaardag nodigt de Jonge Belgische Schilderkunst 20 van haar laureaten uit om een werk voor te stellen uit de periode van hun nominatie.

Blijf op de hoogte